Het installatiequote in gebouwen groeit. Tegelijkertijd raken de verschillende systemen meer en meer met elkaar vervlochten. Volgens deskundigen neemt de kans op fouten daardoor toe. Adviseur Govert Geldof denkt dit te kunnen ondervangen met Nieuw Vakmanschap. Maar is investeren in mensen wel de juiste remedie als digitale oplossingen de toekomst hebben?

Geldof organiseert al jaren bijeenkomsten, de zogenaamde ‘Werkplaatsen’, waarin alle betrokkenen zich buigen over, bijvoorbeeld een ontwerpopgave. Hij laat alle partijen met elkaar ervaringen delen en integrale oplossingen bedenken die gebaseerd zijn op ervaringskennis en innovatie. Zo stimuleert hij naar eigen zeggen het Nieuwe Vakmanschap.

Allereerst: Waarom zouden wij geld moeten steken in het opleiden van mensen, als prefabben en robots op de lange termijn goedkopere en efficiëntere oplossingen zijn?
“Het is alleen interessant bij repeterende werkzaamheden om te gaan prefabben en, in de toekomst, robots in te zetten. Tot op een bepaalde hoogte zie ik daarvoor mogelijkheden in de woningbouw en utiliteit. Maar we zitten nu in een transitieperiode waarin volop geëxperimenteerd wordt met nieuwe oplossingen. Als je ter plekke verschillende installaties met elkaar gaat verbinden en innovatieve concepten moet bedenken, heb je vakmensen nodig. Experts die met elkaar willen samenwerken, want in deze tijd is het onmogelijk om alle kneepjes van het vak in je eentje te beheersen. Robots en prefabben schieten simpelweg tekort. Vandaar ook mijn pleidooi voor het Nieuwe Vakmanschap.”

Ja, dat Nieuwe Vakmanschap, je noemt het ook een ‘Gilde 2.0’. Maar de gildes vormden toch juist obstakels voor vernieuwing? Ze schreven alles voor, tot bij wijze van spreken welke hamer je moest gebruiken aan toe…
“Dat klopt, maar ik wil slechts bepaalde elementen overnemen. In de traditionele gildes had je de meester-gezel-leerling relatie. De meester leerde zijn leerling in de praktijk de kneepjes van het vak. Hij gaf uitleg, demonstreerde de belangrijkste technieken en begeleidde de gezel tijdens zijn gehele leerperiode. Vervolgens trok de gezel vaak verder en gaf hij dan op dezelfde manier zijn ervaringskennis door.”